Urk op zijn pinksterbest.         home
(ingezonden door Cees en Diny Kramer uit Scherpenzeel, overgenomen uit de "Elisabeth Bode")

Op de zaterdag voor Pinksteren stroomt Urk helemaal vol met Urkers en Oud-Urkers overal vandaan uit het hele land. Op die dag wordt er van alles georganiseerd en natuurlijk ook veel gezongen. Normaal lopen er nog slechts enkele Urkers in klederdracht, maar op de dag voor Pinksteren zijn dat er misschien wel duizend. Mijn vader had vroeger ook graag 'met de Pinkster' op het eiland willen zijn, maar zijn werk aan de vaste wal liet dat niet toe. In de zomervakantie werd de schade dubbel en dwars ingehaald. Meteen al op de eerste dag werden de koffers gepakt en de taxi besteld. We reden met z'n zessen prinsheerlijk van Andijk naar Enkhuizen. Daar wachtte de Urkerboot op ons. Deze laatste zin klinkt wel erg koninklijk. Toch is dat een keer echt gebeurd nadat mijn vader opgebeld had, dat we wat later kwamen. Prachtig was het op die boot. Er viel van alles te beleven voor kinderen. Je kon binnen of buiten zitten en er waren wel drie verdiepingen. Het mooiste was de windkant waar het water van de groene golven hoog opspatte en de meeuwen krijsend over elkaar heen buitelden. Na anderhalf uur draaide de boot met een oorverdovend getoeter de haven in. Dit geluid was het teken waarop half Urk naar de haven liep om te kijken of er ook bekenden van boord kwamen. Vlak voor het afmeren draaide de boot langs de kade en liep iedereen naar n kant. Dan helde de boot helemaal over en dreigde zelfs het gevaar van kapseizen.

Intussen had ik mijn tante Kaat al ontdekt. Bij haar Iogeerden wij altijd. Ze was ongetrouwd gebleven en zorgde voor haar vader, mijn 'bbe'. Alleen dat woord al, maakte mijn grootvader heel bijzonder. Toen ik hem voor het eerst zag, was hij al minstens tachtig en bijna blind. Hij at eieren met suiker en deed na het eten net alsof hij voorlas uit de bijbel. Dat vond ik heel knap voor iemand die de woorden niet kon zien. Mijn ouders en mijn zussen sliepen bij elkaar in de enige slaapkamer die boven was afgetimmerd. Mijn broer en ik sliepen op de zolder onder netten en fuikstokken met kurken. Het was een anderhalf-persoons, diep doorgezakt bed. Om vrij te kunnen liggen, klemde ik mij vast aan de houten bedrand. Maar als ik dan bijna sliep, ontspanden de spieren zich en rolde ik tegen mijn broer. Vreselijk in een warme zomernacht. Maar dat was nog niet eens het ergste, vrijwel altijd was ik de eerste nacht ook nog misselijk van de ijsjes, die ik gekregen had. Toch wende alles snel en als de eerste zondag aanbrak, voelde ik me al helemaal thuis. We gingen altijd met z'n allen naar de kerk. De preek was net als thuis: een uur met tussenzang. Veel predikanten van Urk trokken later naar Andijk. Ik herinner me namen als ds. Wolven en ds. Groeneveld. Ds. Groeneveld ging zelfs later voor de tweede keer naar Urk! Het zingen in de kerk was heel anders dan ik gewend was. Vooral opvallend was de bijdrage die kinderen leverden aan het psalmgezang. Je hoorde hun schelle stemmen boven alles uit. Dat inspireerde mij ook om flink mee te doen. Mijn vader had die inspiratie niet nodig. Hij zong altijd op volle kracht. Op Urk viel dat niet zo op omdat iedereen begeesterd meedeed, maar op Andijk was mijn moeder vaak de wanhoop nabij. Daar probeerde hij, als het even kon, boven de hele gemeente uit te komen. Niet elke psalm of lied was daar even geschikt voor. Het moest er een zijn met een climax in de laatste regel en het liefst met a klanken. Al heel jong herkende ik de voortekenen van het komende geweld. Mijn vader leunde wat achterover met ogen dicht en greep met beide handen de kerkbank voor hem vast en dan gingen alle remmen los. Op een keer hoorde ik een akelig gekraak. De bank voor ons, met tien beduusde kerkgangers erop, kwam aan de achterkant even los van de vloer. Na de hoogste noot liet mijn vader los en plofte iedereen weer op zijn plaats.

Natuurlijk werd er op Urk ook altijd na de kerkdienst gezellig koffie gedronken. Het huis van mijn tante Kaat had veel aanloop, vooral ook omdat wij er maar n keer in een jaar waren. Mijn tantes liepen allemaal in dracht en praatten zo luid dat het net leek alsof ze ruzie hadden. Dat kwam vanwege de zilveren oorijzers en de hul die eroverheen getrokken was. En tante kwam nooit langs op zondag. Die tak van de familie was wat zwaar op de hand. Een zoon van ruim twintig jaar liep altijd in het zwart en las vaak voor uit de bijbel. Hij deed dit vanachter een open raam op een vreemde, zangerige manier. Vaak stonden voorbijgangers even stil om te luisteren, maar liepen snel weer door als ze de woorden van het Hooglied herkenden. Een dochter uit datzelfde zware gezin ben ik uit het oog verloren bij haar zeventiende kind. Ik weet niet welk aantal het uiteindelijk geworden is. Bij zulke getallen is het wel te begrijpen dat ik het al heel snel opgegeven heb om mijn hele familie ooit te leren kennen. Ik zou dan ook beslist niet meer weten achter welke neef ik door een schoolraam ben geklommen om op zondagavond te kunnen zingen. Want Oud- Halleluja liet zich niet tegenhouden als de sleutel weg was. Het koortje zong de psalmen ritmisch en meerstemmig. De melodie werd gezongen door bariton of tweede tenor en de rest zong er bovenuit of onderdoor. Na de dood van mijn tante Kaat ben ik nog maar zelden op Urk geweest. Het was dan ook een hele ervaring om speciaal voor dit artikel weer eens rond te dwalen op dit voormalige eiland. Speurend naar bijzondere bouwwerken, bovenlichten en fotogenieke plekjes. Helaas, Urkers zijn zo praktisch ingesteld dat er nauwelijks versieringen te vinden zijn. Uitgezonderd misschien het vissersmonument, het Kerkje aan de Zee en sinds kort de ijsvlet. Vooral dat laatste monument als herinnering aan de bloedreizen naar de vaste wal is buitengewoon geslaagd. Heel wat mooier dan de orka die voorheen de ingang van het dorp markeerde. Maar vreemd is dat; toch mis je het beest als je vanuit de polder aan komt rijden. Maar dat zal wel komen door de lichte heimwee gevoelens naar het Urk van mijn jeugd.

Fokke Bakker

Naar boven.