GEDICHTEN DIE MIJ VERGEZELLEN            home
   Onderstaande gedichten werden geschreven door leden van de familie Kramer of door vrienden, bekenden. 
   Ze betekenen iets in het persoonlijk leven van de schrijver, maar hebben zeker ook betekenis voor de lezer.

      INHOUD:

     1. Quo Vadis? - Cees Kramer
     2. Overleven - Cees Kramer
     2a. De Tijd loopt mij voorbij - Cees Kramer
     3. Ik zou je nog zo graag... - Ria Marsman-Kramer
     4. Zussensonnet - Ria Marsman-Kramer
     5. Bij het sterven van mijn moeder - Albert Kamphuis
     6. Bessien - Meindert Ras

     7. Herinneringen - Meindert Ras
     8. Mislukt - Bregje Streutker-Kramer

     9. Zonnebrand - Bregje Stretker-Kramer
    10. Proementied - Bregje Streutker-Kramer
    11. Puntjes - Bregje Streutker-Kramer
    12. Open - Ria Marsman-Kramer
    13. Vlinders - Janny Ten Napel-Kramer
    14. Regenboog - Cees Kramer
    15. Regenboog (2) - Cees Kramer
       
    16. Vissersmonument - Lennaert Nijgh

De eerste twee gedichten zijn van de hand van Cees Kramer (Scherpenzeel). Het gedicht "Quo Vadis?" is gemaakt ter ere 
van de tachtigste! verjaardag van Frits de Heer, de partner van Willie Nijmeijer, een zus van Diny (de vrouw van Cees). 
De foto is door Diny genomen op het immens brede strand van Terschelling in september 2000. Ze staan samen te turen 
naar iets wat voor ons verborgen is. De sfeer van het plaatje trof Cees z'n dichtader...

1. QUO VADIS?
Zie deze twee 
bij de zee
op het zand 
van het strand 
diep in gedachten.
--------
Of staan zij daar 
met elkaar
zomaar ergens 
op te wachten?
--------
Nee, zij beleven
- al is ’t voor even -
                                            dat grote moment
                                            waarom je er bent
                                            en worden gekust 
                                            door vrede en rust.
                                            --------
                                            Van ons de groet:
                                            Het leven is goed!
                                            Kunnen wij méér
                                            verwachten? 

Cees Kramer           terug naar Inhoudsopgave

2. Overleven

Het tweede gedicht maakte Cees n.a.v. de ziekte van Diny. Ze moet vrij vaak 's nachts naar het toilet en houdt het aantal 
keren bij op een lijstje. Het korte gedicht werd door Cees gemaakt, toen hij in de douche weer eens zo'n lijstje vond. 
Hij schrijft: "Zo'n briefje lijkt op het halen van het Guinessbook of Records maar heeft natuurlijk een heel serieuze achtergrond. 
We proberen er met enige (galgen)humor mee om te gaan. Ik hoop dat het gedichtje bij de één een glimlach opwekt en 
bij de ander een zweem van herkenning: leren leven met je handicap...
"

Overleven.
Vaak moet ze zes, ja, soms zelfs zeven
keer per nacht: het is om 't even.
Want telkens als ze is geweest
is het even voor haar feest:
dan opent hij zijn armen,
zodat ze zich opnieuw kan warmen
aan zijn behaarde leest.

        Cees Kramer              terug naar Inhoudsopgave

 
        2a. Het volgende gedicht is door Cees gemaakt nadat bij hem een ziekte zich openbaarde, verwant aan ALS.

   
De Tijd loopt mij voorbij....

     De Tijd loopt mij voorbij, ik hoor hem amper gaan.
     Even zijn we zij aan zij, ik kijk hem vragend aan.
     Er is geen herkenning, geen enkel medelij,
     alleen maar de erkenning: het leven is voorbij.

     Waar is nu die Goede Herder, waarom hoor ik niet zijn stem?
     De Tijd gaat vast - maar zeker - verder, stromp'lend loop ik achter hem.
     Waarom wacht hij nu niet even, hij heeft immers alle tijd?
     Hierdoor raak ik uit het leven, hierdoor raak ik alles kwijt.

     Aarz'lend blijf ik verder lopen, tot ik niet meer verder kan.
     Er is niets om op te hopen, er is geen enkel reddingsplan!
     Niets trekt mij nog uit die klauwen, er wacht mij geen morgenrood.
     mij rest alleen nog het vertrouwen op een anafwendb're dood.

     Vóór de Tijd mij loslaat, wil ik dit nog even kwijt:
     De dood jaagt mij geen angst meer aan, maar het leven, dat ik lijd.

   
     
Cees Kramer                                                                             
      meer gedichten van Cees lezen: klik
HIER

       terug naar Inhoudsopgave

3. IK ZOU JE NOG ZO GRAAG EENS ZIEN

Ten derde een gedicht van Ria Marsman-Kramer, gemaakt na het overlijden van haar moeder (08-05-2001):


ik zou je nog zo graag.....
 

ik zou
je nog zo graag eens zien
en dan het beeld bewaren
en aanraken

elke dag

ik zou je nog zo graag eens spreken
je oordeel horen over dit en over dat
dat niet altijd optimistisch
maar toch zo waardevol was

ik zou nog zoveel willen zeggen
en dat jij veel uit kon leggen

maar alles is gezegd en ook gedaan
voorgoed voorbij die tijd, maar
ik zou je nog zo graag eens willen zien.

Ria Marsman-Kramer           terug naar Inhoudsopgave

4. ZUSSENSONNET.
Ria liet ook het volgend gedicht aan haar pen ontvloeien; heel toepasselijk op internet:

Zussensonnet

Ik heb zo net mijn zus gemaild
van kleine levensdingen
dat "praten in het donker" scheelt
je gaat er weer van zingen

We hebben heel wat afgepraat
voor 't slapen gaan in bed
We deelden veel in vreugd' en kwaad
dat wordt nu voortgezet

Een zus is iemand die je kent
en voelt wat je bedoelt.
Die corrigeert en soms wat stuurt

ook af en toe bekoelt
die weet hoe jij van binnen bent
maar levenslang verduurt.

Ria Marsman-Kramer         
terug naar Inhoudsopgave

 

5. BIJ HET STERVEN VAN MIJN MOEDER.

Dan een gedicht dat werd ingestuurd via het gastenboek van onze site. De afzender is Albert Kamphuis (van "t Lösters"), 
geen onbekende van de familie. We herinneren ons de diepgaande discussies tussen Albert, Gerrit (Brink), Henk 
en Hendrik (Kampman) en onze broer Cees over geloof en wetenschap. Soms zaten ze zelfs voor de lol wiskundige problemen op te lossen!
Het gedicht is, zoals Albert schreef, gemaakt na het overlijden van zijn moeder, J. Kamphuis-Marsman.

Zaterdag 21 juli 2001

Wat een overvloeiende dank,
omdat alles is gezegd en gedaan.
Wat een stille voldoening te hebben gekend
en te zijn gekend.
Wat een zachte onwennige pijn:
verschoven van het uiterlijke en zichtbare,
naar het verborgene.
Niet minder wezenlijk, niet minder relevant.
Als dauw in de zomerochtend,
Als diffuus licht door 't bladerdek,
Als water voor droge lippen,
Is mij uw liefde, die alles doordringt.
Is uw stralend licht, waarin ik mij
pijnlijk verheug

Albert Kamphuis.                                 terug naar Inhoudsopgave


6. BESSIEN

Dan volgt hieronder een gedicht, gemaakt door Ome Meindert, over zijn grootmoeder, Bessien Aagien (de moeder van Opa).

Bessien*
Zij had een hart van goud, al ging ze niet ter kerke.
Een groot gezin, waarvoor zij hard moest werken.
Zij leefde in een lang vervlogen tijd
van zware armoe, elke dag weer strijd.
Het was voor haar al zo gewoon, zij uitte nooit een klacht,
ook niet als soms de visserij
zo goed als niets in ’t laatje bracht.
Zij wist haar mans’ humeur dan toch weer op te krikken,
ofschoon zij elke dag, moest wegen en moest wikken.
Als je als kleinkind* bij haar kwam, al was ’t nog met zo velen,
dan wist ze van het weinige geld toch nog met je te delen.
En zo ging dag na dag haar leven voort,
totdat de oude dag kwam plagen...
Haar kind’ren* waren toen wel verplicht,
en bij dementie is die taak niet licht,
haar verdere lot te helpen dragen.
Haar zoons en dochters kwamen overeen,
haar elk een maand in huis te nemen.
Maar bij haar oudste zoon* werd dat een ramp.
Haar schoondochter kon soms haar slaapkamer
een uur schoonmaken, en de ramen zemen.
Dan had het oude mens haar menselijke behoeften weer gedaan,
zonder naar een plaats, die daarvoor dient, te gaan.
Geworden was, werd zij dan ook weer als een kind vermaand.
Ondanks haar soobre leven werd ze toch nog oud
totdat de dood intrad, het gouden hart werd koud.
Op haar begrafenis had dominee, zoals dat hoort,
ten afscheid aan haar graf het laatste woord.
Dat dacht tenminste iedereen, maar het moest niet zo zijn,
haar achterkleinzoon* nam daarna het woord,
al was hij nog zo klein,
en zei:
“nu kan ze rustig poepen, moe, dat maakt me toch weer blij!”

gedicht door Ome Meindert Ras (broer van mama)
(Waar gebeurd verhaal) 

Bessien = Bessien Aagien, moeder van Opa Willem Ras, opoe van mama
Kind’ren = o.m. Opa en opoe Ras
oudste zoon = opa Ras
achterkleinzoon = Hessel of Wim     
                        terug naar Inhoudsopgave

Hierbij nog een gedicht van Oom Meindert uit 1946.
Hij schreef het in een brief aan tante Els. Selma, haar dochter, vond het gedicht na het overlijden van haar moeder in haar post.
De brief kwam uit Engeland vanaf het schip HMS Glendower, waar Oom Meindert een opleiding volgde tot machinist.
 
7. Herinneringen:
 
 Ik weet een heel mooi plekje grond
 het mooist voor mij op aard
 Om dat eens weer terug te zien
 dat is mij alles waard.
 Daar waar met donderend geweld
 de golven breken stuk.
 Op de ouwe trouwe Afsluitdijk
 De plek van mijn geluk.
 
 Refrein:
 O heerlijk landje
 Kornwerderzandje
 al ben ik ver van jou
 ik vergeet je toch niet wis
 De grootste schatten
 en kazematten
 die vind je daar, waar heel Neerland trots op is.
 
 Ik denk zo vaak aan het kleine strand
 waar ik zwemmen leerde als kind
 Het kleinste hoekje van de dijk
 maar toch het meest bemind
 Omdat je er behalve schelpen
 nog iets anders vond
 Een meisje van de Afsluitdijk??
 dat van je houden kon??
 
 Refrein.
 
 Ook staat mij telkens voor de geest
 en blijft mij altijd bij
 De blauwe lucht,het groene gras
 als het lente was geweest
 De meeuwen die zich spiegelden
 in het blauwe IJsselmeer
 De schepen die je langs de kust
 zag varen heen en weer.
 
 En als de zomer kwam al gauw
 de muggenplaag begon.
 Die ondanks veel ellende toch weer dikke paling won
 De schuitjes kwamen rijk bevoorraad
 al bij de loswal aan
 En hebben daar in schrale tijd
 al heel wat goeds gedaan.
 
 Nu is het herfst we moeten gaan
 naar waar de plicht ons riep
 maar al lijkt ons de dijk ver weg
 vergeten doen we hem niet
 En als de winter komt in het land
 met hagel sneeuw en ijs
 Dan hopen we terug te zijn
 Op ons Kornwerderzand.
 
 A.M.Ras                                                    terug naar Inhoudsopgave

8. MISLUKT…  
Sommige mensen schrijven in een depressieve bui de mooiste gedichten. 
De onderstaande ontboezeming is van Bregje:

Mislukt

Ze wus wal dat ut aanders mus,
 

Ze vuuln zich mislukt.

Mislukt as vrouw, as moe, as juf,


Een bettien lui, een bettien duf

Een oale,  starre kruk.


Dan komp heur man ok nog ies dran

Den is aaltied zo kwiek:

Loop ie nou nog in ’t ondergoed?

Ie bint ja toch niet ziek?


Dan wördt ze hellig in de kop, 

Hij hef joa wal geliek….

Ziek is ze niet, stark en gezond;

Ze lup zomaar de Meene rond

Of met ‘n hond over ‘n diek….


Moar alles schient heur nutteloos,

Ze dart een bettien rond.

Pianospeuln, dat mag ze graag, 

En leezn dut ze veul, teveule mangs,

zegt paartieluu, dat is toch niet gezond…


Veur Dorcas dut ze ok nog wat

Dat hef een bettien zin,

Dan is er ok nog ‘t karkenwark

Weer zo'n vergaadering…


En kump er mangs familie langs,

Dan bent de raapn gaar,

Ze schrobt, ze veegt en sopt en boent

En liefst gien commentaar…


Want alles mut veur heur perfekt

Het liefst in iene dag,

Wat moandenlang verwaarloosd is

Mut nou kloar! en drekt!


Mar och, ok disse buie giet veurbij

Zoas ‘t zo vake gung…

Zoas het sprekwoord ok al zeg:

Noa reeng kriej weer de zun!


Bregje Streutker-Kramer
            
terug naar Inhoudsopgave


Ook onderstaande ontboezemingen zijn van de hand van de "Dichteres van de Mommeriete":

9. ZONNEBRAND

Na veel grijze regendagen, 

was er eindelijk de zon….

Gauw naar buiten! Niet meer klagen…

Heerlijk dat dit even kon!

Maar…eerst smeren! Tube halen,

En wel van het juiste merk…

Eigenlijk niet te betalen,

Maar..de naam, die is wel sterk!

Tube kopen…Kan niet open!

Ik weet echt niet waar het schort:

Kijken, draaien…nog eens kijken…

Maar..de tijd! Die is te kort!…

Heb ik eind’lijk doorgekregen

Hoe de tube opengaat:

Is de zon alweer verdwenen,

En ik ben ontzettend KWAAD!

Nog niet BRUIN! Maar ROOD! Van WOEDE!

Maak ik binnen dit gedicht:
 
geef aan iedereen bericht:

WIE BRUIN WIL WORDEN MET SOLAR EXPERTISE

KAN MOOI BINNEN ZITTEN KNIEZEN!

Bregje Streutker-Kramer.

(Naar verluid zond ze dit gedicht naar de fabrikant en kreeg vervolgens gratis een nieuwe tube toegestuurd!)
                  
                                                                                                        terug naar Inhoudsopgave


10. PROEM'NTIED

Mien moe zee…”tot de proem'ntied….”
Nou is ’t zover. Nou ben’k heur kwiet…
Ik make sjem….’k ruur in de pan….
En denk zo stillegies verdan:
Ik heure aaltied nog heur stem,
Nou ok weer bi’j de proem'nsjem..
Mien moe zung aaltied ‘t hoogste lied
‘t gung over bliedschop of verdriet…
van ”t huisje vrij van gure wind”
of van een arm en ienzoam kind…
Ok as ze hellig was, zung moe
dan gung t'r nogal ruug an toe:
want Lientje's papa was piloot,
en gung natuurlijk hastikke dood…
en Jantje har een scheur in de broek
want va zien geld was joaren zoek…
‘t gung niet allennig um ’t verhaal,
want moe was ok heel muzikaal,
ze har een machtig mooie stem.
Ok zung ze van :’’Jeruzalem”,
dat klunk zo deur de kök'n hen…
ik zing ok graag:met “Boris” mit
of met de ien of aandre hit,

Aretha Franklin! Favoriet!

Den zingt veural veur vrouw'n heur lied
Over  “freedom” en ”eemansiepaasie”
Mien moe har gien tied veur zukke prakkezaasies….
Och moe, wat hej ons een liedties egeem,
‘t is een  herinnering veur ons heele leem……..

Bregje Streutker-Kramer, Ane.             terug naar Inhoudsopgave


11. PUNTJES......

          Hier volgt een "puntdicht" van Bregje:

 

          Ik schreef altijd  "Hendriejet"
        want ik had nog nooit de puntjes op de i gezet…
       
Dankzij broer Bert, een genie!
       
Heb ik nu ook de puntjes onder de knie!
       
maar, het loopt wel in de gaten…
       
ik kan het puntjes zetten niet meer laten!
       
Mijn schoonzus Hendriët is een altruďst,
       
en beslist geen egoďst!
        Ook is ze niet stoďcijns,
        vooral niet bij het zien van de accijns!

       
Op haar werk is ze efficiënt
       
want ze heeft een hoog E-quotiënt….
       
In de familiekring brengt ze variëteit,
       
want haar humor wil ze kwijt…
       
Broer Bert houdt van parodiëren,
       
is een meester in imiteren…
       
Wij kunnen dat wel appreciëren,
        Met hun tweeën

        zullen wij het lachen nooit verleren!  

        Bregje Streutker-Kramer 
          
terug naar Inhoudsopgave


    12. OPEN?

           Ria was, zoals ze zelf zegt: "even aan het rijmen" en daar ontsproot haar zomaar het volgende gedichtje:

      Omdat zij zo gesloten was
        kon ze heel goed dichten.
        dekte toe de naakte waarheid
        met lachende gezichten

        zo werd ze toch nog open

        en was haar hart te zien
        ze moest het wel bekopen
        met een omleidinkje of tien

        Ria Marsman-Kramer           
terug naar Inhoudsopgave


    13. VLINDERS....

       Nicht Janny schreef, naar aanleiding van het overlijden van haar moeder, onze tante Lena, het volgende gedicht.
       Daarin vergelijkt ze haar moeders handen met vlinders, omdat ze op het laatst zo teer en dooraderd waren en trilden vanwege de  Parkinson.


   Moeders vlinders 

      Handen, trillend, teer als vlinders
      Ontvouwen, open,
      Vragend in een stil gebed
      Gevouwen, biddend;
      Laat mij slapen Heer, ik ben zo moe
      Sluit U maar mijn ogen toe

      En in Zijn eindeloos erbarmen
      Nam Hij haar adem en haar geest
      Droeg haar in liefdevolle armen
      Naar het grote Engelenfeest 

      Janny ten Napel-Kramer         terug naar Inhoudsopgave

 

  14. REGENBOOG
 
       Dit gedichtje schreef Cees op een kaartje aan een bloemstukje, t.g.v. het huwelijk van Kees en Iris (29-08-2015):

 
  Iris, houdt Kees in je hart;
      Kees, houdt Iris in het oog.
      Dat jullie liefde mag bloeien als een lelie
      en zal gloeien als de regenboog.

      Cees Kramer                           terug naar Inhoudsopgave
.

  15. REGENBOOG (2)
 
     Ook deze poëzie ontsproot aan het brein van Cees, varend op de IJssel, met een harde wind schuin achter
         en schuimkrullers op de golven waarin zo nu en dan de regeboog te zien was.
         Een gedicht met een knipoog naar de versjes die op de vooronderdeurtjes van de botters stonden!

  
   Varend langs het IJsseloog:
       in 't buiswater de regenboog.
       In 't kielzog woeste golven,
       als een horde wilde wolven.
       Het schuim staat op hun kaken,
       maar geen schrik zal ons genaken.
       Want op deez' ontemb're zee
       vaart de Heiland met ons mee!
 
     
      
Cees Kramer                


Urker Vissersmonument  


   Urk

       bron: Tachtig teksten

        tekst: Lennaert Nijgh.

         . . . velen in zee gebleven,                       
         hier staan ze ingeschreven
         en wordt aan hen gedacht.

             (tekst Urker Vissersmonument)

             

 

            

          Een Hollands dorp onder een leeggewaaide hemel,
          de haven ligt verlaten, de kotters zijn naar zee
          en door de Dorpsstraat gaan twee vrouwen, in gedachten:
          brengt deze najaarszon geen stormweer met zich mee?
          De jongste draagt een regenjas, een beetje uit de mode,
          de oudste nog de klederdracht, in statig zwart en grauw,
          want 't zijden keurs in bonte warme kleuren
          is lang vervangen door het donkere van de rouw.
          Ze praten over heel gewone dingen,
          de kinderen, de was, hun eigen huis
          en zwijgen over dat, waar ze aan denken:
          m'n zoon, mijn man komt vrijdagochtend thuis.

       Wenden wij de steven naar de haven,
       hoop dan en geloof: wij keren weer,
       daar, waar zij die achterbleven wachten,
       in 't mooiste dorp van heel het IJsselmeer.

          De wind rukt aan steeds meer antennemasten,
          want ondanks 't fulmineren van de dominee
          was toch de opmars van de beeldbuis niet te stuiten,
          wat moet een vrouw alleen thuis, met al het volk op zee?
          Je hoort ze wel eens op de visserijband:
          een ver en dikwijls onverstaanbaar koor,
          maar dichterbij, vanuit de Bocht en de Breeveertien,
          daar komen soms bekende stemmen door.
          Twee vrouwen blijven stilstaan bij een winkel,
          de dochter peinst hardop wat zij graag eet,
          de moeder denkt in stilte terug aan vroeger,
          aan iemand wiens gezicht ze nooit vergeet.

       Wenden wij de steven naar de haven,
       hoop dan en geloof: wij keren weer,
       daar, waar zij die achterbleven wachten,
       in 't mooiste dorp van heel het IJsselmeer.

Twee vrouwen staan te kijken bij het water,
aan 't einde van de Dorpsstraat, bij 't vissersmonument,
de marmeren platen met de lange lijst van namen,   
zij lezen niet, zij hebben ze gekend.
Och, deze zee is immers afgesloten
en zoals vroeger kan ie niet tekeer meer gaan . . .
toch is hier nog een paar jaar geleden
de 204 met man en muis vergaan.
Twee vrouwen kijken zwijgend naar de toren,
misschien hangt aan de mast de zwarte bal                    
n jaagt 's nachts de noordwester over 't eiland
n staan er koppen in de Urker Val.

       Wenden wij de steven naar de haven,
       hoop dan en geloof: wij keren weer,
       daar, waar zij die achterbleven wachten,
       in 't mooiste dorp van heel het IJsselmeer.

[Voor informatie over het Urker Vissersmonument, klik HIER]

Teksten op Internet gezet met toestemming van Lennaert Nijgh. De copyrights blijven onverkort geldig.

















Op deze plaat op het Vissersmonument staat de naam van Willem Kramer, mijn grootvader van vaderskant, verdronken in 1918, toen hij als visserman voer op de ZD 14.
Zijn lichaam spoelde aan op het strand van Zandvoort.
Hij kon worden geďdentificeerd aan de hand van de grote zilveren broeksknoop, waarin de letters W.K. stonden gegraveerd.
Mijn vader is geboren in 1913 en was dus 6 jaar toen zijn vader verdronk. Een weduwe met 5 kinderen bleef achter.
In die tijd waren er geen sociale voorzieningen en de enige mogelijkheid voor een weduwe om een inkomen voor haar en haar gezin te verwerven was: een winkeltje beginnen.
Er waren indertijd dan ook veel van die kleine winkeltjes. De klantenkring bestond grotendeels uit familie, buren en vrienden.
Waar de letters ZD op het visserschip voor stonden, is mij nog steeds niet duidelijk. In de lijst met afkortingen van visserijschepen (zie hier) staat als betekenis Zuidwolde,
maar met een vraagteken. Welk Zuidwolde wordt bedoeld, weet ik niet, maar zeker niet de plaatsen met die naam in Drenthe en Groningen!

Bert.

Een aardige link om wat meer over de geschiedenis van Urk te weten te komen, inclusief de scheepsrampen: klik hier.
 

Terug naar Inhoudsopgave
                                                              Home